2014, Witte Olifanten II, Chris Baaten
We come in peace
Het gotische streven naar verticaliteit als manifeste energie omvat niet alleen de immanente drang god te eren, maar ook het grijpen van de mens naar de metafysische ruimte, die hij in zijn
voorstellingsvermogen vormgeeft en vult met fantasmen over het
on-mogelijke, het kunnen-zijn.
De exemplarische ruimte van verbeelding en overvloed, die er altijd was, zal zijn en geweest zal zijn en die in het collectieve culturele geheugen het nieuwe voortbrengt.
Kunst bezit van haar kant de mogelijkheid om tijdloosheid te scheppen uit de evolutie die haar eigen is. Chris Baaten gaat zelfs verder
dan het verleden en gunt de toeschouwer een blik in een buitenaards
futurum exactum. Zijn werken zijn een spel met props van een paralellistische en tegelijk expliciet formele kwaliteit. Dientengevolge stuit men op
complexe plooival van gotische madonna's en de dynamische, roterende beweging van barokke profeten en heiligen in extase.
Op het eerste gezicht lijken de objecten en sculpturen het product
van culturele en evolutionaire verwarring. Enerzijds zijn het
creaturen, om precies te zijn hybriden, met een ongelijksoortige, onevenwichtige en fragiele lichaamsbouw en substantie, geassembleerd uit variabel lichaamsmateriaal. Echter, hun uiterlijk zou in de zin van een ‘survival of the fittest’ zeer beslist gerechtvaardigd zijn, overeenkomstig
biologisch bepaalde en daardoor geoptimaliseerde aanpassingen aan de
omgevingseisen. Anderzijds ontmoeten we fetisjachtige wezens, ‘striking a pose’ in een versteende beweging, zelfbewust hun vitale,
energetische potentieel etalerend. Zij vormen de herinnering aan het
eeuwig
inspirerende van de menselijke cultuur. Verwijderd van elk evenwicht, duidelijk gearticuleerde lichamelijkheid, het fragmentarische, het karakter van het objet trouvé of zelfs van een archeologische vondst uit een ver verleden of een voltooide toekomst (wat mogelijk geweest zal zijn), teruggeslingerd in onze herinnering - als een Nike van Samothrake, het fragment van een tijdloze energie en artistieke inspiratie.
Platform van hun pose is een uitsnede van de formele en kinetische transitie waarin ze zich zonder twijfel bevinden, maar ook als het
ware het vehikel van hun dynamiek. Wat we hier beleven, en laten we
hier ons voorstellingsvermogen een handje helpen met de woorden van
kunsthistoricus en criticus Herbert Read, is een speels en dartel ritme waarin staccato, legato, scherzando, andante maestoso1, en niet in de laatste plaats een allegro vivace elkaar afwisselen.
Het werk van Baaten is ontsproten aan de verbeelding en de idee dat leven en overleven door de kunst mogelijk is. Want ook als de hand van de kunstenaar zich terugtrekt zijn dit geen schepsels die uit het niets zijn ontstaan, geen manifestaties van een willekeurige genese,
maar getuigenissen van een artistieke vitaliteit, niet gehinderd door de
angst voor de herinnering en voor wat er komen mag. Ze dringen de ruimte binnen, spiegelen emotionele effecten die ze op hun beurt ook weer opnemen en uitzenden.
Ze vragen om wederkerigheid, zoeken de
verbroedering, een joviaal 'You and Me'. Hun kleurige karakter is onderdeel van die emotionele kracht en het vermogen van nagenoeg omnipotente, oorspronkelijke creativiteit.
Those primal sculptures
They were infamous, nightmare sculptures even when telling of age-old, bygone things
Formless protoplasm able to mock and reflect all forms and organs and processes2
Veel minder dramatisch en angstaanjagend dan de visuele nachtmerries in “At the Mountains of Madness” van H.P. Lovecraft en niettemin zielsverwant aan deze zelfbewuste inspiratie, treedt het werk van Baaten de beschouwer tegemoet met een vertrouwdheid, een joie de vivre.
Ze brengen hem bij zijn culturele verleden, herkomst, herinnering
en nieuwsgierigheid, ook al blijven hun bedoelingen hem verborgen en immer ambivalent.
En toch gebaren ze naar ons:
We come in peace
Dr. Isabel Hufschmidt
Voetnoten:
1. Read, Herbert: 'The Art of Sculpture',
Pantheon Books,
Washington
1954, p. 95.
2. Lovecraft, H.P.: At the Mountains of Madness, in: 'H.P. Lovecraft.
The Complete Fiction',
Barnes and Noble,
New York 2008, pp. 723-806,
p. 797